parallax background

Hoe volgens DSM-5 PTSS te herkennen

09/21/2016
blogs_12
Hoe volgens de DSM-5 Dissociatieve Stoornissen te herkennen
09/19/2016
blogs_10
Samen keuzes maken
09/22/2016
FacebookTwitterLinkedInEmail

Hoe volgens DSM-5 PTSS te herkennen. En hoe zich dat verhoudt tot Complexe PTSS. 
Uit grootschalig epidemiologisch onderzoek blijkt dat circa 50-70% van de cliënten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de (huis)artsenpraktijk een achtergrond heeft van Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering en daardoor een Posttraumatische StressStoornis (PTSS) kan hebben. Wat zijn de DSM-5 criteria voor PTSS?
PTSS is in de DSM-5 opgenomen in het hoofdstuk psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen. Er moet sprake zijn van traumatisering – dit houdt in dat betrokkene is blootgesteld aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen, en/of seksueel geweld, op een (of meerdere) van de volgende manieren:
1. Het is de persoon direct overkomen;
2. De persoon was getuige van de gebeurtenis;
3. Een direct familielid of vriend van de persoon is het overkomen;
4. De persoon wordt herhaaldelijk blootgesteld aan nare details van de ingrijpende gebeurtenis(sen). Er moet sprake zijn van de onderstaande symptomen:

A. Herbeleven
De traumatiserende gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op een (of meer) van de volgende manieren:
• Herhalende, zich opdringende herinneringen;
• Onaangename dromen die gerelateerd zijn aan het trauma;
• Handelen of voelen alsof het trauma opnieuw plaatsvindt;
• Heftige emoties als iemand eraan herinnerd wordt;
• Lichamelijke reacties als iemand eraan herinnerd wordt.

B. Vermijden
Aanhoudend vermijden van prikkels die gerelateerd zijn aan het trauma, zoals blijkt uit één (of twee) van de volgende symptomen:
• Het vermijden van gedachten en gevoelens;
• Het vermijden van plaatsen, mensen, voorwerpen en situaties.

C. Negatieve gedachten en stemming
Negatieve veranderingen in gedachten en stemming, gerelateerd aan de traumatische gebeurtenis, zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende symptomen:
• Onvermogen om delen van gebeurtenis te herinneren;
• Negatieve gedachten over zelf, anderen en de wereld (‘ik kan niemand vertrouwen’);
• Vertekende gedachten over consequenties en oorzaak van de gebeurtenis;
• Negatieve emoties (angst, afschuw, woede, schuld, schaamte);
• Afgenomen interesse en participatie in activiteiten;
• Afgesneden of vervreemd voelen van anderen;
• Niet in staat positieve emoties te ervaren.

D. Hyperactivatie
Aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid zoals blijkt uit twee (of meer) van de volgende symptomen:
• Geïrriteerdheid en woede-uitbarstingen;
• Roekeloosheid en zelfdestructief gedrag;
• Hyperalertheid;
• Overdreven schrikreacties;
• Concentratieproblemen;
• Slaapproblemen.
Voor alle bovenstaande symptomen geldt: deze zijn begonnen of verslechterd na de traumatische gebeurtenis.

E. De duur van de stoornis is langer dan één maand.

F. De stoornis veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk, beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of beperkingen in het functioneren op andere belangrijke terreinen.

G. De stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals medicatie, alcohol) of aan een somatische aandoening.

1.2.1. Subtype PTSS met prominent aanwezige dissociatieve symptomen
In de DSM-5 is het subtype PTSS met prominent aanwezige dissociatieve symptomen toegevoegd aan de volgende typen: 1) Depersonalisatie: gevoelens van vervreemding van de eigen psychische processen of van het eigen lichaam alsof de betrokkenen zichzelf van buitenaf waarneemt en 2) Derealisatie: het beleven alsof de omgeving niet echt is.
Complexe PTSS ofwel DESNOS: Disorders of Extreme Stress Not Otherwise Specified
In de DMS-5 is meer aandacht voor de gevolgen van Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering en meer complexe posttraumatische stressreacties dan in de DSM-IV, maar is toch nog steeds beperkt. Daarom is het concept Disorders of Extreme Stress Not Otherwise Specified – DESNOS –(Aandoeningen van Extreme Stress Niet Anders Omschreven) in deze module meegenomen. Naarmate cliënten langduriger getraumatiseerd zijn, voldoen zij vaker aan de criteria van DESNOS. DESNOS komt vrijwel niet voor zonder PTSS. Om die reden zou DESNOS niet als aparte stoornis moeten worden vermeld, maar worden geassocieerd met PTSS. DESNOS blijkt vooral samen te hangen met interpersoonlijk geweld en traumatisering op jonge leeftijd. DESNOS richt zich, naast PTSS-symptomen, vooral op affectregulatie. In grote lijnen:
A. Affectieve en fysiologische disregulatie, waaronder problemen in affectregulatie, verminderd bewustzijn / dissociatie van lichaamssensaties, emoties en lichaamstoestand.
B. Disregulatie van aandacht en gedrag, zoals preoccupatie met gevaar, obsessief gedrag, agressieve uitbarstingen of juist geremde agressie, zelfdestructief gedrag, zichzelf beschadigen, onvermogen om empathie te reguleren, zoals geen of teveel empathie tonen.
C. Disregulatie van zichzelf en relaties, waaronder relationele problemen, problemen met vertrouwen van anderen, sociaal isolement en problemen met zelfbeeld, preoccupatie met de dader (s), wantrouwen, agressie ten opzichte van anderen, niet passende manieren van intimiteit zoeken.

Meer zien over symptomen van complexe PTSS?
Bekijk de eenvoudige en overzichtelijke video over CPTSS symptomen https://www.youtube.com/watch?v=8quQTkcctk

En de gedegen video van Diana Landberg over complex trauma https://www.youtube.com/watch?v=otxAuHG9hKo

Referenties
Rensen (2016) STRAKX module screening en diagnostiek en evaluatiediagnostiek op (Complexe) Post Traumatische Stress Stoornis, Dissociatieve Stoornissen en co-morbiditeit bij volwassenen met – een vermoeden van – een voorgeschiedenis van Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering; Amsterdam, Centrum Late Effecten Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering (CELEVT).

November 2016, Mevr. drs. G.M. (Martijne) Rensen, directeur CELEVT en STRAKX

FacebookTwitterLinkedInEmail