parallax background

Hoe volgens de DSM-5 Dissociatieve Stoornissen te herkennen

09/19/2016
blogs_11
Hoe volgens DSM-5 PTSS te herkennen
09/21/2016
FacebookTwitterLinkedInEmail

Hoe volgens de DSM-5 Dissociatieve Stoornissen te herkennen.
Circa 50-70% van de cliënten in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de (huis)artsenpraktijk heeft een achtergrond van Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering en kan daardoor een Dissociatieve Stoornis hebben. Wat zijn de DSM-5 criteria voor Dissociatieve Stoornissen?

De DSM-5 beschrijft verschillende vormen van Dissociatieve Stoornissen. 

1. Dissociatieve Identiteitsstoornis
A. Verstoring van de identiteit, gekenmerkt door twee of meer afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden. In sommige culturen wordt dit beschreven als een ervaring van bezetenheid. De verstoring in identiteit houdt een duidelijke discontinuïteit in van het gevoel van eigenwaarde en het gevoel van leeftijd, vergezeld door afwisselingen in invloed, gedrag, bewustzijn, geheugen, waarneming, cognitie en / of zintuiglijk functioneren. Deze symptomen kunnen worden waargenomen door anderen of door de persoon zelf.
B. Terugkerende hiaten in het herinneren van dagelijkse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en / of traumatiserende gebeurtenissen die niet passen bij het gewone vergeten.
C. De symptomen veroorzaken een klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. De stoornis is geen normaal onderdeel van de in grote lijnen geaccepteerde culturele of religieuze praktijk.
E. De symptomen zijn niet te wijten aan fysiologische effecten van een verslaving of een andere medische aandoening.

2. Dissociatieve amnesie
A. Een onvermogen om belangrijke autobiografische informatie, meestal van traumatische of stressvolle aard te herinneren, die niet past bij het gewone vergeten
B. De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
C. De stoornis is niet toe te schrijven tot fysiologische effecten van een stof of een neurologische of andere medische aandoening.
D. De stoornis is niet beter te verklaren door dissociatieve identiteitsstoornis, posttraumatische stressstoornis, acute stressstoornis, somatoforme stoornis, of grote of milde neurocognitieve stoornis.

3. Depersonalisatie- / derealisatiestoornis
A. De aanwezigheid van aanhoudende of terugkerende ervaringen van depersonalisatie, derealisatie, of allebei:
1. Depersonalisatie: ervaringen van onwerkelijkheid of onthechting , of van het een buitenstaander zijn met twijfel over gedachten, gevoelens, sensaties, lichaam of acties.
2. Derealisatie: ervaringen van onwerkelijkheid of onthechting met betrekking tot de omgeving.
B. Tijdens de ervaringen van depersonalisatie of derealisatie blijft de
realiteitstoetsing intact.
C. De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren, of in het functioneren op andere belangrijke terreinen.
D. De stoornis is niet toe te schrijven aan fysiologische effecten van een stof, of aan een neurologische of andere medische aandoening.
E. De stoornis is niet beter te verklaren door een andere psychische stoornis, zoals schizofrenie, paniekstoornis, depressieve stoornis, acute stressstoornis, posttraumatische stressstoornis, of een andere dissociatieve stoornis.

4. Andere gespecificeerde dissociatieve stoornis
Deze categorie is van toepassing op klinische beelden waarbij symptomen die kenmerkend zijn voor een dissociatieve stoornis significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen, maar die niet volledig voldoen aan de criteria van een van de stoornissen in de categorie dissociatieve stoornissen. De classificatie ‘andere gespecificeerde dissociatieve stoornis’ wordt gebruikt in situaties waarin de clinicus ervoor kiest om te vermelden wat de specifieke reden is waarom het klinische beeld niet voldoet aan de criteria voor een gespecificeerde dissociatieve stoornis. De volgende voorbeelden van klinische beelden kunnen worden gespecificeerd door het predicaat ‘andere gespecificeerde dissociatieve stoornis’ te gebruiken.
1. Chronische en recidiverende syndromen van gemengde dissociatieve symptomen. Deze categorie bestaat uit een identiteitsstoornis die samenhangt met minder duidelijke discontinuïteiten in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole, of identiteitsveranderingen of episoden van bezetenheid bij iemand die geen dissociatieve amnesie rapporteert.
2. Identiteitsstoring door langdurige en intense gedwongen gedachtebeïnvloeding. Mensen die onderworpen zijn geweest aan intensieve gedwongen gedachtebeïnvloeding kunnen klachten presenteren over langdurige veranderingen in, of grote twijfel over hun identiteit.
3. Acute dissociatieve reacties op stressvolle gebeurtenissen. Onder deze categorie vallen acute, voorbijgaande aandoeningen die meestal minder dan een maand duren, soms slechts een paar uur of dagen. Deze aandoeningen worden gekenmerkt door een vernauwing van het bewustzijn, depersonalisatie, derealisatie, dispercepties, microamnesieën, voorbijgaande stupor, en/of veranderingen in het sensorisch-motorisch functioneren.
4. Dissociatieve trance. Deze aandoening wordt gekenmerkt door een acute vernauwing of compleet verlies van het bewustzijn van de directe omgeving, die zich manifesteert als een zeer ernstig gebrek aan responsiviteit of ongevoeligheid voor omgevingsprikkels.
5. Ongespecificeerde dissociatieve stoornis
Deze presentatie is van toepassing op klinische beelden waarbij symptomen die kenmerkend zijn voor een dissociatieve stoornis die klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of in het functioneren op andere belangrijke terreinen, maar die niet volledig voldoen aan de criteria voor een van de stoornissen in de categorie dissociatieve stoornissen.

Meer zien over Dissociatieve Stoornissen en de implicaties: 
Bekijk hier het interview met Suzette Boon over Dissociatieve Stoornissen hier
Meer lezen over structurele dissociatie: YouTube, Het belaagde zelf, structurele dissociatie en de behandeling van chronische traumatiswering, Onno van der Hart, Ellert Nijenhuis en Kathy Steele.

Referenties
Rensen (2016) STRAKX module screening en diagnostiek en evaluatiediagnostiek op (Complexe) Post Traumatische Stress Stoornis, Dissociatieve Stoornissen en co-morbiditeit bij volwassenen met – een vermoeden van – een voorgeschiedenis van Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering; Amsterdam, Centrum Late Effecten Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering (CELEVT).

November 2016, G.M. (Martijne) Rensen, directeur CELEVT en STRAKX

FacebookTwitterLinkedInEmail